Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

appellant toegelaten tot tegenbewijs tegen voorshands geleverde bewijs dat sprake is van een lening.

Geïntimeerde (ten aanzien van een ander bedrag) toegelaten tot bewijs dat sprake is van een lening.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.180.233/01

arrest van 16 mei 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. R.H.L. van de Laar te Kerkrade,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 december 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/198548/ HA ZA 14-659 gewezen vonnis van 19 augustus 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 29 december 2015 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast, welke comparitie niet heeft plaatsgevonden;

de memorie van grieven;

de memorie van antwoord;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende (door de rechtbank vastgestelde) feiten.

6.1.1.

Partijen zijn kinderen van hun op [datum] 2014 in [woonplaats 2] overleden moeder [erflaatster] (hierna: erflaatster).

6.1.2.

Erflaatster heeft over haar nalatenschap beschikt bij testament van 9 januari 2007.

[appellante] en [geïntimeerde] zijn in dat testament aangewezen tot enige erfgenamen en tot executeurs.

6.1.3.

[appellante] heeft de erfenis mede ook namens haar kinderen verworpen en bovendien de benoeming tot executeur-testamentair niet aanvaard.

6.1.4.

[geïntimeerde] is enig erfgenaam en executeur van erflaatster.

6.1.5.

Erflaatster heeft op 20 oktober 2005 een op briefpapier van notariskantoor Ritzen & Smeets te [woonplaats 2] afgedrukte tekst met als kop “SCHULDBEKENTENIS” ondertekend. (Hierna te noemen: de schuldbekentenis d.d. 20 oktober 2005). De tekst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De ondergetekende, mevrouw [appellante] (…)

hierna te noemen: “schuldenaar”,

verklaart bij deze wegens op een oktober tweeduizend vijf ter leen door haar ontvangen gelden wel en wettig schuldig te zijn aan

de mede-ondergetekende, mevrouw [erflaatster], (…)

hierna te noemen “schuldeiser”,

een bedrag van tweeëndertigduizend vijfhonderd drieëndertig euro (€ 32.533),

zulks onder de navolgende bedingen:

1. De voormelde som is te allen tijde aflosbaar, ook in gedeelten, mits in ronde sommen van € 100,-- zegge: eenhonderd euro of veelvouden daarvan, zonder dat daartoe enige opzegging nodig is. De voormelde som is eerst opeisbaar drie maanden na het overlijden van de mede-ondergetekende.

2. Over het schuldig erkende bedrag is een rente verschuldigd, gelijk aan de rente die de mede-ondergetekende over de betreffende periode verschuldigd is aan BLG Hypotheken N.V., gevestigd te [plaats], in verband met de hypothecaire lening, welke de mede-ondergetekende heeft opgenomen op dertig september tweeduizend vijf, welke rente thans bedraagt 3.66%.

3. De rente dient te worden voldaan op de laatste dag van iedere maand, voor het eerst op 31 oktober aanstaande.

4. Alle kosten waartoe deze geldlening nu of in de toekomst aanleiding mocht geven komen voor rekening van de schuldenaar, die in gebreke zal zijn door het enkele feit van de niet of niet-tijdige nakoming, zonder dat daartoe een ingebrekestelling zal zijn vereist. (…)”

6.2.1.

Bij dagvaarding in eerste aanleg d.d. 4 november 2014 heeft [geïntimeerde], kort gezegd, gevorderd om [appellante] te veroordelen tot betaling van 71.630,-- (bestaande uit € 250,--,

€ 500,--, € 18.380,--, € 7.500,--, € 45.000,--), met wettelijke rente.

6.2.2.

Aan voornoemde vorderingen heeft [geïntimeerde], kort gezegd, ten grondslag gelegd dat deze tot de nalatenschap van erflaatster behoren en dat hij als enige erfgenaam en rechtsopvolger onder algemene titel van erflaatster gerechtigd is tot die vorderingen.

6.2.3.

Voorts heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellante] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ad € 1.491,30, de proceskosten en de nakosten ter grootte van €100,--. Al deze vorderingen met wettelijke rente.

6.3.1.

Bij rolbeschikking is een comparitie van partijen bepaald. De comparitie is gehouden op 19 maart 2015 en voortgezet op 13 april 2015.

6.3.2.

Bij vonnis van 19 augustus 2015 heeft de rechtbank, kort gezegd, de vorderingen voor wat betreft de bedragen € 250,--, € 500,--, € 18.380,--, afgewezen. De vorderingen betreffende de bedragen € 7.500,--, € 45.000,-- en een bedrag ad € 1.300,-- aan buitengerechtelijke kosten, toegewezen. [appellante] is voorts veroordeeld in de proceskosten ad €1.960,43 en de nakosten ad € 100,--, met wettelijke rente en voorts in de beslagkosten, tot op heden berekend op € 1.247,37.

6.4.1.

[appellante] heeft 4 grieven gericht tegen het vonnis van 19 augustus 2015. Met grief 1 richt zij zich tegen haar veroordeling tot betaling aan [geïntimeerde] als enige gerechtigde tot de nalatenschap van erflaatster van voornoemde € 7.500,--. Met de grieven 2 en 3 tegen de veroordeling tot betaling van voornoemde € 45.000,--. Met grief 4 tegen haar veroordeling in de buitengerechtelijke kosten de beslagkosten de nakosten en de proceskosten.

6.4.2.

Met grief 1 betoogt [appellante] dat zij op 17 april 2014 van de spaarrekening van erflaatster een bedrag van € 7.500,-- aan haarzelf en een gelijk bedrag aan [geïntimeerde] heeft overgemaakt. In het kader van het financiële beheer door haar van de (spaar)rekening van erflaatster was zij als mederekeninghoudster bevoegd voornoemde transactie uit te voeren. Het voorgaande blijk volgens [appellante] ook uit de verklaring van erflaatster van 15 maart 2012 (productie 11 inleidende dagvaarding). Erflaatster heeft over het beheer van haar betaalrekening geen rekening en verantwoording gevraagd aan [appellante]. Van haar kan na overlijden van erflaatster geen rekening en verantwoording door [geïntimeerde] worden gevorderd. Dit klemt te meer nu [geïntimeerde] de transactie heeft voorgesteld, aldus [appellante].

6.4.3.

[geïntimeerde] betoogt dat niet kan worden aangenomen dat erflaatster met deze betalingen heeft ingestemd. Erflaatster was aldus [geïntimeerde] op 17 april 2014 niet in staat haar wil te bepalen.

6.5.1.

Het hof oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellante] het financiële beheer voerde over de gelden van erflaatster op de (spaar)rekening waarvan 2 keer een bedrag van € 7.500,-- is afgeboekt.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat erflaatster op 17 april 2014 haar wil niet kon bepalen/althans [appellante] heeft geen grief gericht tegen oordeel van de rechtbank dat erflaatster op de dag dat de € 7.500,-- werd overgemaakt haar wil niet meer kon bepalen, als zodanig. [appellante] stelt dat er vanuit mag worden gegaan dat erflaatster met de betalingen heeft ingestemd, omdat zij geen rekening en verantwoording heeft gevraagd.

Dit betoog van [appellante] gaat evenwel niet op. Of van instemming met betalingen mag worden uitgegaan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Nu niet in geschil is dat erflaatster op 17 april 2004 haar wil niet kon bepalen, kan erflaatster niet worden geacht met de betalingen te hebben ingestemd. Omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden zijn gesteld nog gebleken. (Vgl. HR 9 mei 2014, ECLI :NL:HR:2014:1089). Van een schenking van erflaatster, zoals [appellante] de onderhavige betalingen, blijkens haar, naar het hof begrijpt in hoger beroep niet verlaten, standpunt in eerste aanleg, betitelt is aldus geen sprake. Het voorgaande betekent dat zonder rechtsgrond is betaald en dat, zoals het hof ambtshalve aanvult, onverschuldigd is betaald.

Aan het voorgaande doet de verklaring van erflaatster van 15 maart 2012 (productie 11 inleidende dagvaarding), indien van de echtheid daarvan - [geïntimeerde] betwist dat deze verklaring door erflaatster is opgesteld en ondertekend - moet worden uitgegaan, niet af. Evenmin doet aan het voorgaande af dat [geïntimeerde] met de betaling heeft ingestemd.

De grief faalt.

6.5.2.

Met grief 2 betoogt [appellante] dat geen sprake is van een geldlening welke zij moet terugbetalen. In of omstreeks oktober 2005 is door erflaatster aan ieder van haar kinderen een geldbedrag overgemaakt. Aanvankelijk zou er een bedrag van € 32.533,-- worden overgemaakt aan ieder van de drie kinderen. Door het overlijden van een broer van [appellante] en [geïntimeerde] is diens deel tussen de overige kinderen verdeeld. Volgens [appellante] is sprake van een schenking. In het kader van Estate-planning is het, zo betoogt [appellante], niet ongebruikelijk aan kinderen een geldlening te verstrekken die vervolgens wordt omgezet in een schenking of wordt kwijtgescholden. Dikwijls gebeurt dit, zo betoogt [appellante], in een afzonderlijke akte of schuldbekentenis, welke naar het lijkt ontbreekt dan wel niet is overgelegd. [appellante] heeft bewijs aangeboden. Volgens [appellante] zou de notaris die de akte in 2005 heeft opgesteld daarover kunnen verklaren, zo ook de financieel adviseur die destijds betrokken was bij het afsluiten van de hypothecaire lening.

6.5.3.

Met grief 3 betoogt [appellante] dat voor zover sprake mocht zijn van een geldlening deze slechts geldt voor een bedrag van € 32.533,00 nu de schuldbekentenis d.d. 20 oktober 2005 slechts dit bedrag vermeldt.

6.5.4.

[geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een lening voor een bedrag van € 45.000,--. Uit de bewoordingen van de schuldbekentenis d.d. 20 oktober 2005 kan niet anders worden afgeleid dan dat het daarin genoemde bedrag aan [appellante] is geleend, terwijl het meerdere boven € 32.533,00 te weten een bedrag van € 12.467,-- eveneens op basis van geldlening is verstrekt. [geïntimeerde] heeft voorts betoogd dat sprake is van gerechtelijke erkentenis door [appellante] dat sprake is van een lening. Het voorgaande gezien hetgeen is opgenomen onder randnummer 20 in de pleitaantekeningen betreffende de procedure in kort geding, welke pleitaantekeningen in de onderhavige procedure in eerste aanleg door [appellante], als productie 4 bij conclusie van antwoord, zijn overgelegd.

6.5.5.

Nog daar gelaten dat [appellante] op het standpunt van [geïntimeerde] dat sprake is van een gerechtelijke erkentenis niet heeft kunnen reageren, oordeelt het hof dat uit bedoelde woorden in voornoemde pleitnota geen gerechtelijke erkentenis van [appellante] kan worden afgeleid. Van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig erkennen is geen sprake.

Naar het oordeel van het hof is het overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [geïntimeerde], die dit stelt en daaraan rechtsgevolgen verbindt, om te bewijzen dat sprake is van een lening. Het standpunt van [geïntimeerde] dat [appellante] moet bewijzen dat het bedrag van € 12.467,--, een schenking betreft gaat niet op. Het standpunt van [appellante] dat geen sprake is van een lening betreft immers een betwisting van de stelling van [geïntimeerde].

6.5.6.

Ten aanzien van het bedrag ad € 32.533,-- acht het hof voorshands bewezen dat sprake is van een lening. Uit de tekst van de schuldbekentenis d.d. 20 oktober 2005 valt niet af te leiden dat sprake is van een schenking, terwijl [appellante] haar betoog dat sprake is van een schenking niet met de door haar genoemde akte heeft onderbouwd. [appellante] zal worden toegelaten tot tegenbewijs in die zin dat het de wil van erflaatster was dat voornoemd bedrag zou worden geschonken/kwijtgescholden.

6.5.7.

Ten aanzien van het bedrag van € 12.467,--, geldt evenwel dat [geïntimeerde] nog geen bewijs van zijn stelling dat sprake is van een lening heeft geleverd. Het hof zal [geïntimeerde] toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat het bedrag van € 12.467,--, een lening van erflaatster aan [appellante] betreft.

6.5.8.

Het hof houdt ieder verder oordeel aan.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen geeft het hof partijen in overweging met elkaar te rade te gaan en de zaak te schikken.

7 De uitspraak

Het hof:

laat [appellante] toe tot tegenbewijs, in die zin dat het de wil van erflaatster was dat het in de schuldbekentenis d.d. 20 oktober 2005 genoemde bedrag van € 32.533,-- aan [appellante] zou worden geschonken/kwijtgescholden, tegen het voorshands geleverde bewijs dat ten aanzien van het in die schuldbekentenis genoemde bedrag van € 32.533,-- sprake is van een lening aan [appellante];

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat het meerdere boven een bedrag van € 32.533,-- te weten een bedrag van € 12.467,-- op basis van geldlening aan [appellante] is verstrekt;

bepaalt, voor het geval partijen of één van hen bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 30 mei 2017 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

verstaat dat partijen tevoren overleg plegen over het aantal en de persoon van de getuigen dat tegen deze datum zal worden opgeroepen en de volgorde waarin de getuigen zullen worden voorgebracht;

bepaalt dat de advocaten tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zullen opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat ieder van partijen het schriftelijk bewijs dat zij/hij wil bijbrengen uiterlijk twee weken voor het verhoor aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij zal toezenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J. van der Steenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 mei 2017.

griffier rolraadsheer


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature