Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Huwelijksvermogensrecht. Koude uitsluiting. Gezamenlijke geldlening. Hoofdelijke verbondenheid. Art. 6:10 BW. Draagplicht. Art. 1:81 BW.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.187.271/01

arrest van 16 mei 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. V.C.C. Luijten te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. B.A. Hocks te Hoensbroek,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 december 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/193710 / HA ZA 14-403)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven;

de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

partijen zijn, na het maken van huwelijkse voorwaarden op 13 juli 2010, gehuwd te [woonplaats] op [datum] 2010;

ij de huwelijkse voorwaarden hebben partijen iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. In het geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding zijn zij geen verrekenbeding overeengekomen;

partijen hebben op 16 november 2010 gezamenlijk een krediet afgesloten, met een kredietlimiet van € 17.000,--, bij de Nederlandse Voorschotbank B.V. (hierna: DNV Bank), waarvoor zij hoofdelijk verbonden zijn.

De kredietfaciliteit van € 17.000,-- is nog op dezelfde dag (16 november 2010) als volgt aangewend:

- € 13.707,59 aflossing van een eerder krediet

- € 3.292,40 overboeking naar [geïntimeerde] (inl. dv, prod. 5; mvg, pt. 11; bestreden vs, rov. 4.4.7.3 naar gezamenlijke rekening)

- € 0,01 overboeking naar ING Bank;

[appellante] heeft op 9 mei 2012 een verzoek tot echtscheiding ingediend;

bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 3 oktober 2012 is daarop de echtscheiding uitgesproken;

de echtscheidingsbeschikking is op 23 oktober 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

3.2.

De rechtbank heeft als volgt beslist op de vorderingen van [appellante]:

“4.4.7.4. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het krediet bij DNV Bank van € 17.000,00 partijen ieder voor de helft aangaat, zodat zij in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het krediet. In zoverre slaagt het betoog van [geïntimeerde]. Gelet hierop is geen grond aanwezig om te bepalen dat [geïntimeerde] de aflossing van het krediet volledig voor zijn rekening [dient, hof] te nemen als ware het een privéschuld en [appellante] te vrijwaren van betalingen ter zake de aflossing en de rente en eventuele overige kosten. De daartoe strekkende vordering van [appellante] zal daarom worden afgewezen.

4.4.7.5. Gelet op het voorgaande zal eveneens de vordering om te bepalen dat [geïntimeerde] de rente (volledig) voor zijn rekening dient te nemen en te bepalen dat hij daarnaast zo veel mogelijk aflost op het krediet worden afgewezen. Ten slotte zal ook de vordering om te bepalen dat [geïntimeerde] ten behoeve van [appellante] een voorziening dient te treffen voor het geval hij komt te overlijden, worden afgewezen. Deze vordering vindt geen steun in het recht.”

3.3.

De rechtbank heeft als volgt beslist op de vorderingen van [geïntimeerde].

Periode vanaf april 2012 tot en met november 2014

“5.1. veroordeelt [appellante] om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan [geïntimeerde] een bedrag van € 1.994,55 te voldoen ter zake de door [geïntimeerde] over de periode vanaf april 2012 tot en met november 2014 betaalde rente over het krediet bij DNV Bank”

Periode vanaf december 2014 tot 2 december 2015 (datum bestreden vonnis)

“5.2. veroordeelt [appellante] om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis de helft van de door [geïntimeerde] vanaf december 2014 tot heden betaalde termijnbedragen te voldoen, indien en voor zover die betalingen betrekking hebben op de over het krediet verschuldigde rente en onder de gelijktijdige verplichting aan [geïntimeerde] om verificatoire bescheiden aan [appellante] te verstrekken waaruit blijkt dat hij in deze periode de termijnbedragen heeft voldaan en bescheiden waaruit blijkt dat deze betalingen betrekking hebben op de rente”

Periode 2 december 2015 (datum bestreden vonnis) tot aan volledige aflossing van het krediet

“5.3. veroordeelt [appellante] om vanaf heden en zolang het krediet nog niet volledig is afgelost, na ontvangst van [geïntimeerde] van een digitale kopie van de betreffende overboeking en onder de verplichting aan [geïntimeerde] om aan [appellante] verificatoire bescheiden te verstrekken waaruit blijkt dat de respectievelijke betalingen betrekking hebben op de rente, binnen acht dagen na ontvangst van die kopie de helft van de in die kopie vermelde termijnbetaling aan [geïntimeerde] te voldoen, indien en voor zover die termijnbetaling betrekking heeft op betaling van de rente, te vermeerderen de wettelijke rente over het verschuldigde termijnbedrag vanaf acht dagen na ontvangst van de digitale kopie van de overboeking tot aan de dag der algehele voldoening”

De rechtbank heeft, ten slotte, de proceskosten gecompenseerd.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

het bestreden vonnis te vernietigen voor zover dit (de rentebetalingen ter zake) het krediet bij DNV Bank betreft,

en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

(i) [geïntimeerde] dient te bewerkstelligen dat [appellante] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor het krediet bij DNV Bank,

althans te verklaren voor recht dat:

(ii) het krediet volledig voor rekening van [geïntimeerde] komt, althans te verklaren voor recht dat het krediet voor een bedrag van € 13.707,59 volledig voor rekening van [geïntimeerde] komt, althans te verklaren voor recht dat het krediet voor een bedrag van € 8.434,- volledig voor rekening van [geïntimeerde] komt,

alsmede te bepalen dat:

(iii) [geïntimeerde] gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] te veel heeft bijgedragen aan de rentebetalingen ter zake het krediet,

(iv) met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

3.5.

In haar memorie van grieven (waarin het hof twee niet-genummerde grieven onderscheidt) voert [appellante] geen bezwaren aan tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vordering hiervóór weergegeven in rov. 3.4, sub (i). Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

3.6.

[appellante] maakt wél bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld van € 17.000,-- bij de DNV-Bank (het hof merkt dit aan als grief 1). Volgens haar is [geïntimeerde] volledig of grotendeels draagplichtig voor die schuld, omdat de schuld (voornamelijk) hem ten goede is gekomen. Ook in eerste aanleg heeft [appellante] haar stelling aldus onderbouwd (inl. dv., sub 3 en 4, en nadere akte van 5 augustus 2015, sub 3 en 4).

3.7.

[geïntimeerde] voert hiertegen het volgende aan.

[appellante] heeft willens en wetens getekend voor de aanvraag van een schuld waarvan zij wist dat deze voor een groot gedeelte zou worden aangewend ter delging van oude schulden van [geïntimeerde] (het betrof eerdere geldleningen die aan partijen samen ten goede zijn gekomen). Partijen hebben de kredietsom gezamenlijk geleend en ook gezamenlijk bepaald wat er met die gelden moest gebeuren, met name de aflossing van oude schulden en storting van het restant op de gezamenlijke rekening van partijen.

3.8.

Het hof oordeelt als volgt.

Volgens art. 6:10 BW zijn schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat draagplichtig. Hierbij staat het volgende voorop.

“Evenmin als in het geldende B.W. nadere bepalingen omtrent de grootte van “zijn aandeel” zijn gegeven, is in de algemene bepaling van het eerste lid [van art. 6:10 BW, hof] nader omschreven hoe het gedeelte van de schuld dat hem “aangaat” moet worden vastgesteld. Hieromtrent toch zijn geen algemene regels te geven. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden; zo beslist de vennootschapsovereenkomst over de onderlinge bijdrageplicht van de firmanten in de firmaschulden. Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. (…) Tenslotte kunnen ook de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking nog een rol spelen. In ieder geval is het niet wenselijk – gelijk in sommige buitenlandse wetboeken is bepaald – als hoofdregel voorop te stellen dat de schuldenaren voor gelijke delen in de schuld moeten bijdragen; de uitzonderingen zouden dan belangrijker zijn dan de hoofdregel. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hierboven aangegeven omstandigheden en beginselen uitsluitsel geven, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing.” (Parl. Gesch. Boek 6 (algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht), p. 108, voetnoten weggelaten.)

De grootte van ieders bijdrageplicht hangt dus in de eerste plaats af van hetgeen partijen omtrent die bijdrageplicht zijn overeengekomen. [appellante] stelt echter niet dat zij uitdrukkelijk of stilzwijgend met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat de schuld (grotendeels) voor zijn rekening zou komen.

De enkele omstandigheid waarop [appellante] zich wél beroept, namelijk dat de geleende gelden (volledig of grotendeels) ten goede zijn gekomen aan [geïntimeerde] (zo al juist), maakt dan nog niet dat [geïntimeerde] (volledig of grotendeels) draagplichtig is voor de schuld. Tussen partijen bestond niet slechts de band van hoofdelijk medeschuldenaar. Zij waren ten tijde van het aangaan van de schuld ook echtgenoten die elkaar ingevolge art. 1:81 BW getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd zijn en die daarom verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. Dat dáárvan, in het bijzonder “elkaar het nodige verschaffen”, bij de lening van € 17.000,--, geen sprake was, heeft [appellante] niet gesteld en dat is ook niet gebleken. Dit had temeer op [appellante]’ weg gelegen nu niet duidelijk is waarom zij – niettegenstaande het huwelijksvermogensregime (een zogenoemde koude uitsluiting) – überhaupt samen met [geïntimeerde] de lening van € 17.000,-- is aangegaan. Ten slotte is niet gebleken dat alleen [geïntimeerde] heeft beslist over de aanwending van de geleende gelden, volgens hem hebben zij dat samen gedaan.

De slotsom is dat grief 1 faalt.

Voor toewijzing van het verzoek van [appellante] om bankafschriften (mvg, pt. 14) bestaat dan geen grond.

3.9.

[appellante] maakt voorts bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank over de (betaalde) rente over het krediet bij DNV Bank (mvg, pt. 16, het hof merkt dit aan als grief 2).

Omdat deze grief ervan uitgaat dat het krediet grotendeels voor rekening van [geïntimeerde] komt, en die vooronderstelling niet juist is, faalt zij eveneens.

3.10.

Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

3.11.

Op grond van het voorgaande wordt thans als volgt beslist.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten in hoger beroep;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 mei 2017.

griffier rolraadsheer


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature